Werkgeheugentheorie

Werkingsmechanisme van EMDR

Lange tijd was het onduidelijk hoe de werkzaamheid van EMDR moest worden verklaard. Er is inmiddels een reeks experimentele studies die laat zien dat de afleidende stimuli die in EMDR worden toegepast zowel de toegankelijkheid van herinneringen vergroten als automatisch tot lichamelijke ontspanning leiden. Wat betreft de verklaring voor de werkzaamheid van EMDR zijn er verschillende theorieën waarvan de Adaptive Information Processing (AIP)-theorie en de werkgeheugentheorie de belangrijkste zijn (zie Günter & Bodner, 2008). Deze twee theoretische invalshoeken zullen hieronder kort worden besproken.

De Werkgeheugentheorie

De Werkgeheugentheorie is de theorie over het werkingsmechanisme van EMDR die op dit moment de meeste empirische steun geniet. Het uitgangspunt van deze theorie is dat het menselijk korte termijn- of werkgeheugen verschillende taken tegelijkertijd kan uitvoeren. Voorbeelden zijn het plannen van taken, het oplossen van problemen, maar bijvoorbeeld ook het ophalen en het opnieuw vastleggen van herinneringen.

Het werkgeheugen heeft echter een beperkte aandachtcapaciteit. Het gevolg daarvan is dat door het uitvoeren van de ene taak de prestaties op een andere taak – zoals het in gedachten ophalen en vasthouden van geheugenbeelden – onder druk komen te staan en worden onderbroken. Ook wordt de aandacht die gericht is op het beoordelen van een herinneringsbeeld afgeleid door de oogbewegingen en wordt er tegelijkertijd afstand gecreëerd tot het herinneringsbeeld door de instructies die tijdens EMDR worden gegeven. Hierdoor vindt er ‘verval’ (desensitisatie) van de herinneringsbeelden plaats en verliest de herinnering steeds meer de emotionele component als deze naar het lange termijn geheugen wordt weggeschreven.

Werkgeheugentheorie_EMDR

Kortom, de werkgeheugentheorie voorspelt dat concentratie op een afleidende stimulus (het volgen van de vingers van de therapeut) tot een vermindering van helderheid en emotionaliteit van een geheugenrepresentatie leidt. Inmiddels bieden de resultaten van een groot aantal experimentele studies ondersteuning voor deze theorie (bijvoorbeeld De Jongh et al., 2013; Engelhard et al., 2010; Günter & Bodner, 2008; Maxfield, 2008)

Denken en doen vanuit evidence based medicine, in dit geval de werkgeheugenhypothese betekent dat een therapeut in principe altijd begint met oogbewegingen. De algemene instructie hierbij is dat de uitslag maximaal is en dat de beweging zo snel wordt uitgevoerd dat de cliënt deze snelheid net kan volgen. Soms zijn er redenen om een andere taak te overwegen, bijvoorbeeld een lichtbalk of gebruik een computerprogramma dat speciaal hiervoor gemaakt is, dan wel met een breed scherm en regelbare snelheid van de links-rechts-bewegingen.

Peuters en kleuters kunnen de oogbewegingen soms nog niet goed uitvoeren. Daarom bij jonge kinderen – en oudere kinderen die om wat voor reden dan ook de oogbewegingen niet kunnen of willen uitvoeren – tactiele stimulatie of klikjes gebruiken. Tactiele stimulatie kan actief (kind voert zelf de links-rechts-beweging uit) of passief zijn (de therapeut ‘tapt’ op handen of benen van het kind).

De competitie tussen de traumatische herinnering en werkgeheugencapaciteit enerzijds en de oogbewegingen anderzijds

Bekijk hier het filmpje waar de werkgeheugentheorie wordt uitgelegd

Literatuur

Christman, S.D., Garvey, K.J., Propper, R.E., & Phaneuf, K.A. (2003). Bilateral eye movements enhance the retrieval of episodic memories. Neuropsychology, 17, 221-229.

Christman, S.D., Brown, T.J., & Propper, R.E. (2006). Increased interhemispheric interaction is associated with earlier offset of childhood amnesia. Neuropsychology, 20, 336-345.

Engelhard I.M., van den Hout, M.A., Janssen, W.C., van der Beek, J. (2010). Eye movements reduce vividness and emotionality of ‘‘flashforwards’’. Beh Res Ther, 48, 442–447

Gunter, R. W., & Bodner, G. E. (2008). How eye movements affect unpleasant memories: Support for a working memory account. Behav Res Ther, 46, 913-931.

Gunter, R. W., & Bodner, G. E. (2009). EMDR Works…But How? Recent Progress in the Search for Treatment Mechanisms. Journal of EMDR Practice and Research, 3, 161-168.

Maxfield, L. (2008). Considering mechanisms of action in EMDR. Journal of EMDR Practice and Research, 2, 234-238.

Maxfield, L., Melnyk, W.T. (2008). A Working Memory Explanation for the Effects of Eye Movements in EMDR. Journal of EMDR Practice and Research, 2, 247-261.

Solomon, R.M. & Shapiro, F. (2008). EMDR and the Adaptive Information Processing Model. Potential Mechanisms of Change. Journal of EMDR Practice and Research, 2, 315-325.

Vaughan, K., Armstrong, M. S., Gold, R., O’Connor, N., Jenneke, W., & Tarrier, N. (1994). A trial of eye movement desensitization compared to image habituation training and applied muscle relaxation in post-traumatic stress disorder. J Behav Ther Exp Psy, 25, 283-291.